Musculus-Trapezius-ongekunsteld

Doktersvingers in chamotte

Per week laat ik uren en uren voorbijgaan terwijl mijn lichaam is bevroren in een onnatuurlijke pose. Een flink aantal paren ogen probeert dan om het hardste mijn rondingen te vertalen naar één of ander kunstzinnig materiaal. Dit werk doe ik niet voor niets; het is sociologisch onderzoek pur sang. Dit keer: de boetserende dokter.

Smoglongen

Nog maar net ontdaan van stethoscopen en met het uniforme geplastificeerde naamplaatje nog aan de broek komen ze binnenvallen – te laat. Het wordt ze vergeven, want ze behoren tot een speciaal segment van de werkende klasse. Wat ze hier komen doen is maar een hobby die vooral wordt uitgeoefend vanwege de ontstressende werking. Vergelijk het maar met de door dokters gekoesterde sigarettentijd op het aftandse tegelplaatsje bij de achteringang van de longafdeling. Het blijft toch een verbazingwekkend fenomeen dat de witte jassen die als geen ander weten hoe geteisterde longen er van binnen uitzien, zo verschrikkelijk graag een peukie doen.

Prutsers

Dan nu de meest spetterende verrassing van deze dag; iets dat je nog minder verwacht dan asbakken in doktersappartementen. Je zou denken dat zij zo’n lichaampje van chamotte-klei wel even bouwen, of niet soms? Zij weten immers hoe de vork in de steel steekt als het op anatomie aankomt. Theoretisch gezien mag dat zo zijn, maar kijken is een heel ander verhaal dan weten hoe het volgens de wetenschap allemaal zit. Als het op welvingen en huid aankomt, wordt het hen echt een tikkeltje te abstract.

Ze kunnen er dus niks van, maar wat erger is: ze willen ook helemaal niet geholpen worden. “Hier loopt namelijk de monnikskap…”, begint de docent maar hij wordt bruut onderbroken met een geïrriteerd “Jajajajajajajaja de monnikskapspier”. Dokters beschikken heus wel over die kennis en meer zelfs dan de docent en als zijn cursisten bij elkaar. Nou, kleien dan. Als ze dat dan doen, blijkt het simpelweg niet te gaan.

Ongeverifieerd veldwerk

Voordat ik doorschiet in overdrijvingen, even een kleine kanttekening: er bestaan heus wel artsen die ook weten hoe ze een lichaam in was, steen of klei moeten modelleren. Neem de alleskunner J.H. Frenken. Hij was behalve dokter ook nog piloot, schrijver, beeldhouwer en schilder en het ging hem vrij goed af. Om aan te tonen dat er voor de ontdekking van Amerika al reumatische aandoeningen voorkwamen in Europa – de theorie was van niet – bestudeerde Jan Dequeker een waanzinnige hoeveelheid schilderijen en sculpturen, en door het vele kijken werd zijn tweede linkerhand een rechter.

Maar zeg op, ooit van gehoord? De Brancusi’s en Rodin’s onder ons waren arme sloebers die zich in het zweet hebben moeten werken om beeldhouwer te worden. Dat is wel wat anders dan een arts die tonnen verdient en voor een spreekwoordelijke stuiver op een maandagavond de vingertjes komt trainen.

Misschien zit het ook wel totaal anders: misschien zijn we zo gewend aan de esthetische ingrepen van een kunstenaar in een geïmiteerd lichaam, dat we die reproducties als goed gelijkend zijn gaan beschouwen. Het lijkt op hoe we naar film kijken: we hebben geleerd hoe we een film moeten lezen en moeten vertalen naar de werkelijkheid, die daar wezenlijk van verschilt. Zo kunnen we een scène uit een typische Hollywood-film geloofwaardig vinden en misschien een traantje wegpinken. De interpretatie is aangeleerd. In dat geval kunnen we het werk van Dequeker trouwens met één arm van tafel vegen.

Koekje van eigen deeg

De kleiende dokters die op mijn pad komen zijn te zelfingenomen om ook maar een fatsoenlijke cilinder te kunnen maken. Laatst kwam ik bij een arts die mij wel even wilde uitleggen hoe mijn monnikskapspier liep. Mooi niet dus. Gaat u eerst maar een jaartje boetseren, dokter!

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.