plant-ongekunsteld

Genen voor Borges

Toen de genen voor het aanvoelen van poëzie werden uitgedeeld, stond ik misschien net even de andere kant op te kijken. Of was de voorraad gewoon op? Hoe dan ook; het betreffende gen is bij mij niet compleet aangelegd. Ik lijd er niet onder. Het bleek wel een beperking toen ik eens wat grondiger wilde kennismaken met het werk van Jorge Louis Borges.

De Borgesbibliotheek

Jaren geleden heb ik de vier delen van de door de Bezige Bij uitgegeven ‘Borgesbibliotheek’ aangeschaft en een maand later zette ik me schrap en nam ik de vier boeken bij wijze van een ‘Borgesproject’ door. Essays, verhalen en gedichten. Dat was ook de volgorde en het werkte als een geheimzinnige inwijding, waarbij ik die gedichten een beetje op de koop toe nam. Ik was gefascineerd en liet me verleiden om het Borges-universum verder te betreden. Ging dus Meyerink lezen, Stevenson, Chesterton, de Edda en meer: Borges heeft zo zijn eigen conservatieve canon. Je kunt hem trouwens niet betrappen op enig enthousiasme voor een schrijvende tijdgenoot. Hij keek terug naar het begin van de vorige eeuw en van daar steeds verder en verder – liefst door spiegels, labyrinten en bibliotheken heen, tot Homerus aan toe.

Een universum

Ik heb de Borgesboeken weer eens tevoorschijn gehaald. Bladerend door de verhalen las ik er weer een paar. Ook wat gedichten. Het essay over de IJslandse Kenningar en die verhandeling over Duizend-en-een-Nacht. Ik kreeg er opnieuw schik in. Die geheimzinnigheid, het ondoorgrondelijke van sommige verhalen en de wreedheid van andere. Verhalen die soms beginnen als een essay en essays die vaak beginnen als een verhaal. Het is een wondere wereld van tijd en eeuwigheid, ouderwets platonisme, spiegels en overige geheimzinnigheid.

Kop en staart

Funes de allesonthouder‘ is een voorbeeld van een verhaal dat goed te volgen is. En toch is het ook geheimzinnig  ‘Meer dan drie keer heb ik hem niet gezien; de laatste keer in 1887…’ Het verhaal eindigt zo: ‘Ireno Funes stierf in 1889, aan een longoedeem.’ Het hoogtepunt is een nachtelijke conversatie met de zonderlinge allesonthouder die als volgt wordt ingeleid: ‘Nu kom ik bij het moeilijkste punt van mijn relaas. Dit (het is goed dat de lezer het tevoren weet) heeft geen ander plot dan die dialoog van inmiddels een halve eeuw geleden.’

Borges heeft niet alleen een hang naar het mysterieuze. Sommige verhalen zijn als gezegd wreed en spannend. In ‘Het evangelie volgens Marcus‘ verblijft Baltasar Espinosa een tijd op een haciënda met wat eenvoudige mensen:“Zij beleden geen geloof, maar het harde fanatisme van de calvinisten en het bijgeloof van de pampa zaten in het bloed, als duistere sporen.”
Het is een student, deze Espinosa (pas op, Borges schreef ook het gedicht ‘Baruch Spinoza‘), die bekendstaat om zijn ‘grenzeloze goedheid’. Hij heeft in het huis een oude Engelse bijbel gevonden en gaat die mensen al vertalend voorlezen uit het Marcus-evangelie. Ze gaan hem identificeren met Jezus. Met kleine signalen neemt de spanning toe.“Toen vervloekten ze hem, spogen op hem en duwden hem naar het achterhuis… De schuur had geen dak meer; ze hadden de balken gesloopt om het kruis te kunnen timmeren.” En daarmee eindigt dit verhaal.

Dromen en bibliotheken

Vaag wist ik nog wel van één gedicht dat me ondanks alles had aangesproken – ‘De Rechtvaardigen’ – maar nu blijken er meer te zijn die me intrigeren. Juist die gedichten geven in compacte vorm weer waar het  Borges om te doen is.  In ‘Ein Traum‘ gaat het over Kafka die een gezellin en een vriend heeft gedroomd…

“De vrouw sprak tot de vriend:
Ik wil dat je mij vannacht bemint.
Ze wisten het gedrieën.
De man antwoordde: Als wij zondigen,
Zal Kafka ons niet langer dromen.
Een wist het.
Er was verder niemand op aarde.
Kafka zei bij zichzelf:
Nu de twee zijn weggegaan, ben ik alleen.
Ik zal me niet langer dromen.”

Zo’n droomwereld, verwoord in sobere taal, je komt het in sommige verhalen ook tegen.

Zo wordt In de ‘Bibliotheek van Babel‘ het heelal voorgesteld als een oneindige bibliotheek. Het verhaal leest eigenlijk als een essay. Een stukje van de laatste bladzijde: “Misschien word ik misleid door ouderdom en vrees, maar ik vermoed dat de menselijke soort – de unieke – dreigt uit te sterven en dat de Bibliotheek zal voortbestaan: verlicht, verlaten, oneindig, volmaakt onbeweeglijk, uitgerust met kostbare boekdelen, nutteloos, onomkoopbaar, geheim.” Dan het slot: “Als een eeuwige reiziger haar in iedere richting zou doorkruisen, zou hij na verloop van eeuwen constateren dat dezelfde boekendelen worden herhaald in dezelfde wanorde (die, herhaald, een orde zou vormden: de Orde). In mijn eenzaamheid ben ik blij met die elegante hoop.”   Er volgt nog een noot, inderdaad, net als bij een heus essay. Sommige dingen begrijp ik niet, andere spreken me niet aan. Toch word ik keer op keer door deze man verbaasd, en ben ik vol bewondering voor deze Borgeswereld. Misschien vormen juist de gedichten wel een goede entree tot dit universum.

‘…Een vrouw en een man die de laatste zinnen van een bepaald canto lezen.
Wie een slapend dier aait.
Wie een kwaad hem aangedaan rechtvaardigt of wil rechtvaardigen.
Wie blij is dat er op aarde een Stevenson is.
Wie liever heeft dat anderen gelijk hebben.
Die personen, die elkaar niet kennen, houden de wereld in stand.’

Zo eindigt ‘De Rechtvaardigen‘ in de vertaling van Robert Lemm.
Mijn gen voor poëziebegrip is nog steeds zeer beperkt werkzaam. Mijn waardering voor Borges is er niet minder op geworden. Fijn is dat.

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.