Montaigne-ongekunsteld

Inhoudsvol geleuter; essays van Montaigne

“‘Middelmatigheid wordt aan geen dichter toegestaan, door goden, mensen, noch uitgevers.’ Gaf God maar dat deze spreuk kwam te staan boven de deuren van onze drukkerijen, om al die rijmelaars de toegang te ontzeggen.” Montaigne heeft over haast alles wel een mening. Maar ja, als je ruim 1300 pagina’s aan essays schrijft, kun je heel wat kwijt. 

Een boekenlezer

Als jurist had Montaigne (1533-1592) zijn bijdrage geleverd aan het maatschappelijk leven. Hij was lid van een welgestelde familie en kon op zijn achtendertigste het juridische werk vaarwel zeggen om zich lekker terug te trekken met zijn boeken. Het schijnen er rond de duizend te zijn geweest, een voor die tijd waanzinnig aantal. Een enorme hoeveelheid klassieken en dan ook nog bijna-tijdgenoten als Petrarca, Tasso, Ariosto, Macchiavelli en Erasmus. Die laatste had met zijn adagia ook kleine en iets grotere artikelen geschreven. Montaigne deed wat anders. Hij schreef probeersels over bijna alles, maar zeker ook over zichzelf. En dát was iets nieuws.

Een filosoof?

Zoek je wat op over Montaigne dan wordt hij al snel voorgesteld als Frans filosoof. Montaigne werkte als jurist en was later nog een aantal jaar burgemeester. Hij stond niet bekend als filosoof maar zou in onze tijd ook niet zo worden genoemd. Toch heeft hij zich grondig beziggehouden met de klassieke filosofie. Daarbij was hij gepassioneerd bezig met vragen die Plato en Seneca ook hadden beziggehouden. Wie ben ik zelf? Wat is een deugdzaam leven? Hoe kan ik weten? Als ik het zo stel, wordt er geroepen: ‘Maar natuurlijk is dit een filosoof!’ Ho, ho, als we zo gaan beginnen, is iedereen een filosoof. Er zijn dan ook filosofen die dat meteen zullen beamen en zo komen we dus niet verder. Montaigne behandelde de genoemde vragen op een heel persoonlijke manier. Niet van de ene opmerking naar de volgende logische gevolgtrekking en zo verder, maar eigenlijk heel vriendelijk babbelend. Trouwens; hij had ook ‘psycholoog’ genoemd kunnen worden. Een aardig voorbeeld hiervan is het artikel over lafheid en wreedheid. “Ware dapperheid die er slechts op uit is een weerstand te overwinnen ‘en alleen strijdt met een stier die zich te weer stelt (Claudianus)’, houdt zich in zodra zij de vijand op de knieën heeft. Maar de lafhartigheid wil kunnen zeggen dat ze ook van de partij was, en neemt, omdat ze de hoofdrol aan zich voorbij heeft moeten laten gaan, de bijrol van het afslachten en het bloedvergieten op zich.”

Montaigne had bovendien belangstelling voor zonderlinge gebruiken in het verre oosten of het net ontdekte West-Indië. Zo hoorde hij dat bij volkeren uit het Oosten vrouwen na de dood van hun man kiezen voor een ritueel te voltrekken dood. Was hij misschien ook een beetje cultureel antropoloog? Hij was in ieder geval geïnteresseerd in bijna alles. Daarbij kwam hij wel steeds terug bij zichzelf en bespiegelingen over deugden zoals dapperheid.

Een rommelige boel

Bij een essay denken we algauw aan een verhandeling met een heldere structuur, een inleiding, inhoud en een conclusie.Bij Montaigne gaat dat anders. Soms blijft hij in de buurt van het onderwerp dat met de titel gegeven was, soms dwaalt hij enorm af en stapt hij van het ene zo op het andere onderwerp over zonder echt duidelijk uit te leggen wat hij aan het doen is.

“Mooie verhalen doen het altijd goed, waar je ze ook plant. Daar ik mij meer bekommer om het nut en het belang van mijn onderwerpen dan om hun volgorde en samenhang, deins ik er niet voor terug hier, enigszins terzijde, een heel mooie anekdote in te voegen.”

Het meest bont maakt hij het in ‘Pleidooi voor Raymond Sebond’. Deze Sebond schreef een theologisch werk naar aanleiding waarvan Montaigne van wal steekt. Eerst is het artikel ook nogal theologisch van karakter, maar gaandeweg komen er allerlei thema’s voorbij. Het ontstaan van oorlogen, schoonheid, dat mensen onderling meer verschillen dan mensen en dieren (!), ingebeelde ziekten, hoogmoed, filosofieën, overeenkomsten tussen culturen, wat niet al. En dan is dit is nog maar een zeer beperkte opsomming.

“…tot besluit van mijn langgerekte en langdradige uiteenzetting die ik zonder einde voort zou kunnen zetten…”

Met bovenstaande zin is dit essay, zijn langste met ruim 200 pagina’s, nog niet tot een einde gekomen, wel bijna.

Toch uit de 16e eeuw

Montaigne leefde in de 16e eeuw en ook al zat hij met zijn hoofd vooral in de tijd van die Romeinse en Griekse klassieken, toch sijpelt er ook wat van zijn eigen tijd door. “Met name in een zo corrupte, verdwaasde tijd als de onze is de waardering van het publiek geen aanbeveling.” Ook in Frankrijk was de Reformatie losgebroken, het land verkeerde in grote onrust en af en toe verwijst Montaigne daarnaar. Hij kiest duidelijk voor de koning en de Katholieke Kerk, voor rust en orde. Een nieuw fenomeen in het wereldbeeld van Montaigne was het feit dat Amerika recent was ontdekt. Hij heeft het als argument in een betoog bijvoorbeeld over bewoners van Brazilië die van niets anders sterven dan van ouderdom.

Montaigne had al verklaard dat hij de uitvinding van het pistool maar niets vond. Een hoop herrie en weinig effectief. Honderden pagina’s verderop moet hij vooral zichzelf omstandig uitleggen waarom de prins van Oranje toch met een pistool is vermoord (volstrekt idioot natuurlijk) en niet met een mes. Overigens was Montaigne bijzonder enthousiast over deze moord.

Essays

Over de onzekerheid van ons oordeel, over droefheid, over ledigheid, over de angst, over het geweten, over de eenzaamheid, gedachten over Cicero. En zo zou ik nutteloos lang kunnen doorgaan met het opnoemen van hoofdstuktitels die, zo blijkt, lang niet altijd de lading dekken. Uiteindelijk zou je moeten zeggen: over Montaigne. Omdat hij alles persoonlijk bespreekt, inclusief grappen, wreedheden en intimiteiten, is dit vooral een enorme ontboezeming van vriendelijke man die over de raarste dingen wel een boom wilde opzetten. Wat je er dan gratis bij krijgt, zijn de voortdurende gesprekken die hij voerde met zijn autoriteiten uit de klassieken, die daardoor dichterbij komen. Hij blijkt veel respect te hebben voor Alexander de Grote en Caesar, aan wie hij ook een essay heeft gewijd. Verder houdt hij erg van Plutarchus en Seneca, de stoïcijn uit de tijd van Nero. In zijn citaten komen vele andere schrijvers voorbij en zo werkt dit boek als een soort doorgeefluik voor klassieke teksten en wetenswaardigheden.

Vertaling

Ik zou, geheel in stijl overigens, bijna voorbijgaan aan de aanleiding van deze verhandeling: die nieuwe vertaling. De vorige was van Frank de Graaf, en zelf heb ik de vierde druk, uit 2004. Inderdaad, dat is zeker niet stokoud. Beide vertalingen zijn naar mijn smaak eigentijds en goed leesbaar. Ik zie de noodzaak van een nieuwe vertaling dus niet zo. Wat deze nieuwe wel prettig maakt, is het feit dat de vele Latijnse citaten als noot voorkomen, terwijl de vertaling in de lopende tekst zit. In de vorige vertaling was dat net andersom. Achterin zitten nog noten en een register van personen zonder terug te verwijzen naar de tekst. Dat laatste vind ik raar en een gemiste kans. (Voor een goed register moet je bij die van de betreffende Penguin Classic zijn.) Dan tref je nog een toelichting van de vertaler en nota bene een essay van Afshin Elian.

Afsluiten met een citaat kan het idee voeden dat de essays van Montaigne vol staan met tegelwijsheden, wat wel is beweerd. Dat is wat mij betreft grote onzin. Ook de volgende zin staat net als al die andere in een context die hem betekenis verleent. Om te voorkomen dat dit artikel net zo lang wordt als dat pleidooi voor Sebond is de context weggelaten.

“Lezen heeft zo zijn nadelen, en nogal ernstige: het houdt de geest fit, maar het lichaam, dat eveneens om zorg en aandacht vraagt, blijft intussen werkeloos toezien, verkwijnt en verkommert.”

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.