neukende-sprinkhanen-ongekunsteld

Lijden aan de liefde

Dat de drang om te leven en om te sterven voort kunnen komen uit dezelfde bron laat Johan Wolfgang Goethe zien in ‘Het lijden van de jonge Werther’ uit 1774. De liefde zowel als ultieme levensdrift als destructief monster, de liefde als bron van zowel de manie als de depressie. Met als lijdend voorwerp de arme Werther. Want lijden zal hij.

In Het lijden van de jonge Werther wordt de lezer meegenomen in de ervaringswereld van Werther, een jonge kunstenaar. Hij schrijft dagboekachtige brieven aan zijn vriend Wilhelm waarin hij op zeer hartstochtelijke wijze zijn dagelijkse bezigheden en ervaringen beschrijft. Werther is een jongen die zijn leven romantiseert, en deze geheel ziet door de bril van zijn heftige emoties. Al vroeg in het werk blijkt dat Werther erg opgaat in de schommelingen van zijn stemming.

DE VERRUKKING

Het boek vangt aan met een verrukte Werther. Hij begeeft zich in een voor hem nieuwe stad en hij slijt zijn dagen door het lezen van Homerus en het observeren van hetgeen er om hem heen zoal gebeurt. Opvallend is Werthers lofzang voor met name de schoonheid van de natuur, het spelende kind en de werkende medemens. Zijn observaties laten zich meevoeren in Werthers verrukte gemoedstoestand en worden poëtisch voorgedragen:

“Als het lieve dal rondom mij wasemt en de hoge zon op het oppervlak van het ondoordringbaar duister van mijn borst rust en alleen een enkele straal het binnenste heiligdom in glipt, ik dan in het hoge gras bij de vallende beek lig, en dichter bij de aarde duizenderlei grasjes mijn aandacht trekken…”

Ondanks zijn verrukte wijze van in-de-wereld-zijn, is het al snel duidelijk dat we van doen hebben met een persoon die ook de keerzijde van het leven kent. De mogelijkheid tot zelfdoding lijkt Werther zelfs in zijn verrukte toestand een gevoel van vrijheid te geven:

“En dan, hoe ingeperkt hij ook is, bewaart hij toch altijd in zijn hart het zoete gevoel van vrijheid, het besef dat hij zijn kerker kan verlaten wanneer hij wil.”

Werther benadrukt het belang van de natuur in ons. Niet het denken maakt ons mens, maar juist het spontane en kindse in ons, onze passies en emoties is wat het leven van de mens de moeite waard maakt volgens hem. Goethe neemt hierin een opvallend standpunt in. Hij begeeft zich immers in temporele zin tussen filosofische verlichtingsreuzen Kant en Hegel. Waar deze verlichtingsdenkers de rede, het denken, centraal stellen van dat wat ons mens maakt, lijkt Goethe veeleer een romantische filosofie aan te hangen á la Rousseau waarin de nabijheid met de natuur, en de natuur in ons centraal staat: “Het sterkte me in mijn voornemen me voortaan alleen aan de natuur te houden. Zij alleen is oneindig rijk.”

Goethes oudere landgenoot Kant stelde juist dat de wetten van ons denken, ons vrijheid verschaffen. Wie puur redelijk leeft, is vrij. De mens die puur redelijk leeft is immers  vrij van het dier dat in ons huist (onze instincten, passies, emoties etc.). Goethe stelt echter, via het denken van Werther, dat de mens niet aan het denken zijn grootsheid verleent. Wie puur rationeel leeft, blijft steken in het functionele, in het burgerlijke, in het leven van de middelmaat. Juist door de overgave aan de natuur wordt de mens groots. Volgens Werther is het de natuur die de liefde bewerkstelligt en is het de natuur in ons die het genie, de kunstenaar tot leven brengt. Hiermee is dit werk een antithese van het verlichtingsdenken. Juist de grootsheid van de liefde laat zich niet puur redelijk bevatten, maar moet beleden worden. Een persoon kan pas liefde ervaren als hij kan ondergaan, kan lijden.

DE LIEFDE

De liefde komt als een blikseminslag Werthers wereld binnen in de gedaante van Lotte, een reeds verloofde jonge aristocratische vrouw. Vanaf het moment dat hij Lotte ontmoet, reikt de verrukking voor het leven tot een voor hem nog onbekende hoogte: “Ze is me heilig. Alle begeerte zwijgt in haar aanwezigheid. Ik weet niet wat er met me gebeurt als ik bij haar ben.”

Zo gaat hij door en schrijft hij Wilhelm: “Wilhelm, wat is, voor ons hart, een leven zonder liefde. Een toverlantaarn zonder licht!”

In het boek wordt de liefde van Werther voor Lotte echter nooit als zodanig beantwoord. De liefde van Werther doet daarmee kinds aan. Om dit te begrijpen beroep ik mij op Freud.

Volgens Freud focust een jongetje zijn meest primitieve libidineuse (seksuele) driften op het eerste vrouwelijke object voorhanden: de moeder. Iedereen kent het voorbeeld wel van het jongetje die trots verkondigt met zijn moeder te willen trouwen. De vader is hierin de concurrent (de zogenoemde castrator), en weerhoudt het jongetje ervan zijn moeder te bezitten. Het jongetje wordt dus in deze driehoeksverhouding geconfronteerd met een instantie buiten hem die bezit wat het jongetje begeert. Daardoor leert het jongetje zijn gefrustreerde begeerte te verdragen, en zijn horizon te verbreden door relaties aan te gaan buiten de driehoeksrelatie met zijn ouders. Lotte is nergens in het boek daadwerkelijk beschikbaar voor Werther op de manier waarop hij dat zou willen. Zij is immers verloofd, en benadert Werther zeer keurig maar generlei wijze romantisch.

In de triadische verhouding die ontstaat met Lottes toekomstige echtgenoot Albert, weet Werther zichzelf steeds meer te kwellen door deze onmogelijke driehoeksrelatie te blijven opzoeken. De kwelling zit hem erin dat Werther de onbereikbaarheid van Lotte niet als zodanig kan verdragen, en blijft rondtollen in zijn geïdealiseerde beeld van haar. Het lukt hem niet afstand te nemen van deze onmogelijke relatie en zijn heil elders te zoeken omdat hij teveel gevangen zit in zijn liefde voor haar. Werther verwordt zo tot het kind dat zijn hele leven lang thuis blijft wonen, hopend dat hij op een dag alsnog zijn moeder zal trouwen.

DE DESTRUCTIE

Freud stelde dat er in ons driften huizen die in strijd zijn met elkaar. Zowel de levensdrift (eros) als de doodsdrift (thanatos) borrelen in de krochten van onze psyche. In ons zijn dus zowel levensdriften als destructieve krachten aanwezig. En deze onbewuste krachten zijn bepalend voor onze gemoedstoestand. Werther lijkt hier de personificatie van. Zijn liefde voor Lotte blijkt naast zijn levensgeluk tevens de bron van zijn doodsideaties. Wanneer het besef doordringt dat Lotte verloofd is en blijft met Albert, en Werther zichzelf blijft kwellen door hen op te zoeken, lijkt het suïcidale hek van de dam. Zijn enige reële mogelijkheid om uiting te geven aan zijn gefrustreerde liefde lijkt een einde te maken aan zijn eigen leven. De andere mogelijkheid: een einde maken aan het leven van Albert, lijkt zich ook onbewust in Werther te nestelen. Dit blijkt uit de bewondering die Werther voelt voor de arbeidersjongen die de echtegenoot van zijn bazin vermoordt uit liefde voor zijn bazin.

Werther lijkt echter in dergelijke mate ‘aristocraat’ dat dit voor hem geen reële mogelijkheid kan zijn. De arbeidersjongen die tot moordenaar verwordt, blijkt voor Werther dan ook veeleer een (onbewuste) herkenning van zijn eigen duistere verlangens dan een bewust streven. Zogezegd blijft slechts het doden van hemzelf een mogelijkheid. Werther zal sterven voor Lotte als uiterste kenbaarheid van zijn liefde voor haar: “Mocht ik zo gelukkig zijn geweest om voor jou te sterven, Lotte, om me voor jou op te offeren!”

Werther schiet zichzelf, overmand door zijn gefrustreerde romantiek voor Lotte, door het hoofd met een pistool geleend van Albert.

DE NOODZAAK TOT ZELFREFLECTIE

Het personage Werther schijnt velen te hebben geïnspireerd. En in navolging van Werther ging er na de uitgave van dit werk, onder jonge aristocratische mannen, een golf van zelfdoding door West-Europa eind 18e eeuw. Een golf van zelfdoding na een sensationeel geschreven tekst wordt sindsdien het Werther effect genoemd. Het meeslepende karakter van dit werk prikkelt klaarblijkelijk de romantische, gepassioneerde aard van velen. Wat dit boek ons leert is dat het ten volle ervaren van liefde slechts voortkomt uit de ontvankelijkheid, uit de overgave aan de romantiek. Dat wat zo meeslepend als de liefde laat zich niet louter rationeel vatten.

Anderzijds leidt het doorschieten in deze ontvankelijkheid tot een afwezigheid aan rationele zelfreflectie. Werther is compleet overgeleverd aan de grillen van zijn stemming omdat hij zich nooit weet te verhouden tot zijn stemming. Zowel zijn verrukte toestand, als de liefde, als de destructieve stemming, worden door hem als absoluut aangenomen: dat wat hij in zijn stemming beleeft is waar. Werther verhoudt zich geen moment tot zijn liefde voor Lotte; enige zelfkritiek is hem geheel vreemd. Deze liefde is aanwezig voor hem in zijn ervaring en fantasie, en de aanwezigheid van die liefde wordt zonder enige mate van zelfreflectie heilig verklaard: voor de liefde zal hij leven, voor de liefde zal hij sterven. De jonge Werther leefde als een kind, ervoer de liefde als een kind en kwam kinds tot zijn einde. Dit maakt dat Werther, ondanks zijn prachtige poëtische vertelwijze, een wat meelijwekkende indruk achterlaat.

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.