boom-nescio-ongekunsteld

Nescio, de grote roerganger van de Nederlandse literatuur?

Ooit had ik een leidinggevende die Nederlands had gestudeerd. Hij was als lezer allang overgestapt op thrillers, maar één literaire schrijver was er wat hem betreft overgebleven: Nescio. In de Trouw stond laatst een interview met A.L. Snijders, de man van de actie ‘Nederland leest’. Hij wilde nog graag kwijt wie hij de beste verhalenschrijver vond: Nescio.

De Uitvreter

Van de weeromstuit ben ik De Uitvreter opnieuw gaan lezen. Ik had de eerste zin toch alweer een tijd niet gehoord of gelezen en kan niet goed bedenken of ik ‘m goed vind omdat-ie goed is, of omdat hij inmiddels gecanoniseerd is zodat ik er reflexmatig positief op reageer (net als op dat kerkje van van Gogh).

“Behalve den man, die de Sarphatiestraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderbaarlijker man gekend dan den uitvreter.” In de hierop volgende alinea wordt de uitvreter meteen levendig neergezet bij wijze van ouverture en dan gaat het verhaal echt van start met: Zijn naam was Japi. Een sterk begin.

Het verhaal is in de ik-persoon geschreven maar die ik, die door z’n vrienden ‘Koekenbakker’ wordt genoemd, is niet overal bij. Hij vertelt ons ook van horen zeggen. Het gaat in het verhaal niet om de ik-persoon. Het draait om Japi en het vriendengroepje waar hij een beetje deel van gaat uitmaken. Japi zorgt voor leven in de brouwerij en als hij bij je op bezoek is geweest, moet je wel even kijken wat je mist. Een boek? Een jas? Is al je worst opgegeten?

Geen van de jongens brengt echt brood op de plank: het is regelmatig sappelen. Bavink schildert en Koekebakker schrijft weleens wat. Japi heeft geprobeerd op een kantoor te werken maar dat is niets geworden. Hij zwerft graag wat om gewoon rond te kijken. In Veere, Wijk bij Duurstede, Nijmegen, Friesland. Al met al leiden de vrienden een rommelig leven; iets wat als gegeven naar voren komt en zeker niet negatief.

“‘Wat doen?’ Hij haalde z’n schouders op. ‘Doen? Niks doen. Jelui kerels zijn zo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin in heb.”

Japi kijkt graag naar de voorbij stromende rivier. “Op een zondagmorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt.” Dat deed hij nadat hij opnieuw tevergeefs op een kantoor had gewerkt.

Opgewekte ernst

In de taal van Nescio zit iets opgewekts. Zo was dit verhaal ondanks het lot van Japi in mijn geheugen blijven zitten als vrolijk. Dit komt behalve door dat levendige taalgebruik ook door die zonderlinge, ergernis wekkende en vrijgevochten uitvreter. Het is echter een verhaal met gedachten die soms verder gaan dan het dagelijks leven.

Ieder jaar is 365 dagen, tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizenden boeken zou kunnen opschrijven. Duizenden tobbers die de brug gezien hebben, zijn nu dood. En toch ligt ‘ie er nog maar kort.” 

Even tussendoor over stijl en spelling. Dit verhaal komt uit 1909/10 en is dus meer dan honderd jaar oud. In de uitgave van het verzameld werk uit 1996 is de oude spelling nog gehandhaafd. Ik zag dit ook in een andere uitgave. Het zal een reden hebben. De stijl is precies en levendig zonder bombastisch geronk. Dit betekent niet dat alle zinnen ook kort zijn, wel dat de tekst ondanks de oude spelling toch fris overkomt. Couperus was was rond 1910 zo’n 47 jaar oud, maar zijn teksten zijn veel zwaarder dan die van Nescio, hoewel nog steeds toegankelijk en vaak prachtig.

Snijders en Nescio

Voor de bundel ter ere van ‘Nederland leest’ heeft A.L. Snijders vier verhalen van Nescio geselecteerd. Vae Victis begint zo: “Jaar in, jaar uit vloeien de onzichtbare rivieren naar het ondergrondse meer van den haat.”

 Dat gaat geen vrolijk verhaal worden. Het dal der plichten is bijna een prozagedicht: een donker, zeer kort verhaal dat eindigt met: “En ik kijk en zie me zelf zitten, daar boven, en ik jank als een hond in de nacht.”

De pleziertrein is een weemoedig verhaal over wat nu kerstshoppen in Düsseldorf is. Een dagje Arnhem en Nijmegen in 1896. Met Het getal van het beest, het vierde verhaal, zijn we terug bij Koekenbakker en zijn bijzondere vrienden.

Met het boekje zegt Snijders: ‘Kijk, dit zijn allemaal heel aardige verhalen die geschreven zijn door puike schrijvers. Eentje is er wat mij betreft de beste, die heeft als enige vier verhalen in de bundel gekregen. En dat is Nescio.’

Ikzelf kan deze Nescio-verering niet helemáál meemaken; daarvoor zijn er naar mijn smaak te veel Nederlandse schrijvers die, misschien om andere redenen, net zoveel of nog meer eer zouden moeten krijgen. En toch vind ik het fijn dat deze maand niet alleen in het teken staat van Snijders en zijn schrijverselite, maar stiekem vooral in teken van de man met die heel andere stijl, die frisse en compacte manier van schrijven. Nederland leest Nescio.

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.