Michael.K-ongekunsteld

Op verhaal komen met Coetzee’s Michael K.

De mens is een verhalen vertellend dier. De facto zijn onze alledaagse beslommeringen willekeurig aaneengeschakelde situaties en handelingen. Door het verhaal dat we onszelf – en anderen – over dat alledaagse vertellen, krijgt de willekeur een zin. Zo scheppen we orde in de chaos. Michael K. – een van de meest memorabele romanpersonages van Nobelprijswinnaar Coetzee – is zo beschouwd misschien wel de ultieme verhalenverteller. Hij tovert in The Life and Times of Michael K. zijn onmenselijke bestaan om in een betekenisvol avontuur. Een pleidooi voor de kracht van het vertellen aan de hand van één van de grote werken van Coetzee.

In de grote genenloterij zit het Michael niet mee. Hij wordt geboren met een hazenlip en een scheve neus. Alsof een misvormd uiterlijk nog niet voldoende is, hoeft hij bovendien absoluut geen liefde van zijn moeder Anna te verwachten. “She shivered to think of what had been growing in her all these months”, zo lezen we haar eerste reactie vlak na de bevalling. Uit schaamte verstopt ze haar zoontje terwijl ze boenend vloeren schoonmaakt van rijke inwoners van Kaapstad. Als op school blijkt dat Michael niet mee kan komen, belandt hij in een instituut met andere beperkte kinderen. Vanaf zijn vijftiende jaar begint hij voor de gemeente parken schoon te vegen. Ondertussen is hij éénendertig en noemt hij zichzelf tuinman. Maar bovenal is hij een sociaal gestoorde loner die in zijn leven niets anders heeft dan de zorg voor zijn moeder; een moeder van wie hijzelf nooit liefde ontvangen heeft.

Probeer dit beeld van Michael vast te houden.

Omdat Anna K. een dagje ouder wordt en het stadsleven beu is, wil ze terug naar het dorpje Prince Albert waar ze is opgegroeid. Michael – geroepen als hij is door deze belangrijke taak – zegt zijn baan op en neemt haar mee richting het platteland. Aangezien hij de papieren voor een officiële reis in het Zuid-Afrika van de jaren ’70 niet in orde krijgt, is hij genoodzaakt het heft in eigen handen te nemen. Hij timmert een karretje in elkaar, gooit er een paar kussens en dekens op en overtuigt Anna dat ze lopend binnen achtenveertig uur in Prince Albert zullen arriveren. Het loopt anders. Moeder K. verliest al snel haar vertrouwen in een goede afloop en kwijnt weg in het karretje. Ze sterft onderweg in alle anonimiteit in een onbekend ziekenhuis. Na enkele omzwervingen en twijfels ziet Michael maar één perspectief. Hij neemt haar overblijfselen met zich mee en trekt met een urn in de hand naar de plek waar zijn moeder zo graag heen wilde.

In wezen heeft Michael natuurlijk helemaal geen andere opties. We komen in het gehele verhaal geen enkele andere bekende van hem tegen; het is alsof hij verleden noch toekomst heeft. Een vergeten ziel die in het ontwrichte Zuid-Afrika voor niemand meer is dan een nummer. Onbruikbaar, nietszeggend. Desalniettemin voelt Michael zich uitverkoren. Hij heeft een taak, een missie, nee, veel grootser: een roeping. Zijn moeder verdient het om terug te keren naar de plek waar ze naar terug wilde keren en de enige die deze nobele onderneming op zich kan nemen is Michael zelf. Naar zijn belevenissen tijdens deze tocht kijkt niemand op of om. Maar dat geeft helemaal niets.

Vanzelfsprekend gaat de tocht naar Prince Albert niet zonder slag of stoot. Als ronddwalende dakloze zonder papieren wordt Michael meerdere malen in zijn nekvel gegrepen en in een kamp aan het werk gezet. Zelfs als hij uiteindelijk de boerderij waar zijn moeder is opgegroeid heeft bereikt, is hij genoodzaakt af en toe rond te trekken om niet door lokale autoriteiten te worden opgemerkt. Uiteindelijk vindt hij zijn plek in een gecamoufleerde hut bij de dam naast zijn moederlijk huis. Vlak daarvoor is Michael ontsnapt uit het vluchtelingenkamp Jakkalsdrif. In het open veld naast de boerderij denkt hij terug aan een gesprek dat hij in dat kamp voerde. Een politieagent schold Michael en alle andere kampbewoners uit voor parasiet.

“Parasite was the word the police captain had used: the camp at Jakkalsdrif, a nest of parasites hanging from the neat sunlit town, eating its substance, giving no nourishment back. Yet to K. lying idle in his bed, thinking without passion, it was no longer obvious which was host and which parasite, camp or town. [..] What if there were millions, more millions than anyone knew living in camps, living on alms, living off the land, living by guile, creaping away in corners to escape the times, too canny to put out flags and draw attention to themselves and be counted? What if the hosts were far outnumbered by the parasites, the parasites of idleness and the other secret parasites in the army and the police force and the schools and factories and offices, the parasites of the heart? Could the parasites then still be called parasites? Parasites too had flesh and substance; parasites too could be preyed upon. Perhaps in truth whether the camp was declared a parasite on the town or the town a parasite on the camp depended on no more than on who made his voice heard loudest.”

Deze beschrijving, die overigens op fantastische wijze, subtiel overgaat in een gedachtestroom, kent een filosofische ondertoon. Maar wat we hier bovenal zien is de verhalenverteller in Michael. Hij wordt als landloper achter hekken gezet. Maar, zo vertelt hij zichzelf (en ons), wat nu als het ware bestaan het bestaan op de vlucht is? Wat als de politieagenten die de hekken bewaken eigenlijk meer gevangen zijn dan de gevangenen zelf? Dat zou betekenen dat zijn leven als vluchteling nog niet zo gek is. Misschien is hij zelf wel de host, en leven de autoriteiten ván die host. Niet zo’n vreemde gedachte, want wat zouden de autoriteiten nog voor autoriteit hebben als degene over wie ze autoriteit uitoefenen er niet meer zijn? De politie die alle vluchtelingen achter hekken wil plaatsen vervult dan de eigenlijke parasiterende rol.

Er valt nog veel meer te zeggen over deze passage, en over het personage Michael in het algemeen. Het bovenstaande is enkel een korte illustratie van hoe K. zijn verhaal vertelt. Hoe hij zijn sneue bestaan – uiteindelijk is een verhaal van Coetzee toch altijd een loodzware zit – continu op bovenstaande wijze van betekenis probeert te voorzien. Hoe hij in de meest uitzichtloze situaties een perspectief probeert te zien. Hoe hij in totale chaos constant het zinvolle voor ogen houdt. Het is een grote demonstratie van de kracht het verhaal en de waarde van het vertellen.

In het tweede gedeelte van het boek, als Michael totaal ondervoed en half dood door enkele agenten naast moeders boerderij wordt aangetroffen, wordt hij patiënt van een naamloze dokter. De verrassing is dat we vanaf dan deze dokter vanuit eerste persoon over Michael horen praten. Hij raakt volledig in de ban van de jongeman. In een van de laatste passages van het boek draait de dokter helemaal door en steekt de loftrompet over Michael. Het stuk is een ode aan de verhalenverteller.

“With Michael it always seemed to me that someone had scuffled together a handful of dust, spat on it, and patted it into the shape of a rudimentary man, making one or two mistakes (the mouth, and without a doubt the contents of the head), omitting one or two details (the sex), but coming up nevertheless in the end with a genuine little man of earth, the kind of little man one sees in peasant art emerging into the world from between the squat tighs of its mother-host with fingers ready hooked and back ready bent for a life of burrowing, a creature that spends its waking life stooped over the soil, that when at last its time comes digs its own grave and slips quietly in and draws the heavy earth over its head like a blanket and cracks a last smile and turns over and descends into sleep, home at last, while unnoticed as ever somewhere far away the grinding of the wheels of history continues.”

Bijzonder aan de verhalen van Coetzee is dat zijn karakters bijna zonder uitzondering hulpeloze figuren zijn. Ze zijn niet van belangrijke afkomst, hebben geen uitzonderlijke kwaliteiten en kennen nul toekomstperspectief. Om kort te gaan: figuren die de wereld niet nodig lijkt te hebben, die buiten the wheels of history vallen. Michael is hier een schoolvoorbeeld van. Ik roep in herinnering: hij is een oerlelijke, verstandelijk beperkte man die nooit liefde heeft gekend. En zoals blijkt uit bovenstaande passage is hij zich ook van zijn nietszeggendheid bewust. Toch ontroeren juist de avonturen zoals Michael ze beleeft. Precies omdat de waarde van het bestaan niet in de feitelijke belevenis verborgen zit, maar tot bloei komt in het verhaal zoals het wordt verteld. Michael vertelt zichzelf – en ieder ander die hij ontmoet op zijn reis – dat zijn schrale leventje het leven waard is. Zo geeft het verhaal dat hij vormt van onbenulligheden zijn levenspad kleur.

De dokter die in het tweede gedeelte van het boek over Michael vertelt, gaat helemaal door het lint als hij ontdekt dat zijn patiënt is ontsnapt uit zijn ziekenhuis. Hij heeft zoveel bewondering voor de jongen dat hij niets liever wil dan deze geschiedenisloze vluchteling begrijpen. Niet de grote dingen die hij in zijn leven heeft bereikt, maar de betekenissen en oriëntatie die K. om zich heen vindt in een chaotische wereld boezemen de arts ontzag in. Met het verdwijnen van Michael uit zijn ziekenzaal verdwijnt een groots verhalenverteller uit zijn leven. Gelukkig hebben wij dit verhaal van de ultieme verhalenverteller nog in het werk van Coetzee.

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.