zwerver-pest-ongekunsteld

De Pest, dat is het leven

Het klassieke werk De Pest van Albert Camus uit 1948 is een verhaal dat van begin tot eind fascineert. De kracht van Camus’ schrijven ligt er in dat hij even achteloos als speels universele thema’s weet aan te raken om ze vervolgens weer los te laten. Hierin legt hij akelig gemakkelijk de paradoxen van ons modern menselijke bestaan bloot: hij laat mij achter met een hoofd vol kopzorgen. Laat ik een poging wagen mijn verwarring te structureren en uiteen te zetten.

DE PEST, DAT IS DE SLEUR

Camus begint zijn novel door het decor te schetsen waarin de gebeurtenissen zich zullen afspelen: Oran te Algerije, een ingeslapen stad. Een makkelijke manier om een stad te leren kennen volgens Camus, is door te bestuderen hoe men er werkt, liefheeft en sterft. Het werk in Oran wordt alleen gedaan om verveling te voorkomen, de liefde wordt niet ten volle geleefd en sterven is vooral een ongemak dat vermeden dient te worden. Het gaat hier om een stad waarin de dood van god al lang en breed zijn sporen heeft nagelaten: een stad zonder notie van ook maar een vaag vermoeden dat er meer is dan de alledaagsheid. De beschrijving van Oran lijkt een kritiek van Camus jegens de moderne samenleving:

Zonder twijfel bestaat er heden ten dagen niets natuurlijkers dan dat mensen van de morgen tot de avond werken om daarna bij kaartspel, in café’s en onder kletspraatjes de tijd te verdoen, die hun rest te leven.”

Vervolgens schrijft hij: “Te Oran, zoals elders, is men wel genoodzaakt, bij gebrek aan tijd en bezinning, elkander te beminnen zonder het te beseffen.”

Camus lijkt zich te begeven in een traditie, vertrekkend vanuit de Duitse filosoof Martin Heidegger, die stelt dat de mens in zijn alledaagse leven een onecht bestaan leidt. De mens is in zijn alledaagsheid op een onauthentieke wijze besloten in de gangbare structuren. Deze uitgebaande paden in het alledaagse weerhouden het individu zijn eigen bestaan eens kritisch onder de loep te nemen. Slechts in een crisis komt een mens in aanraking met de eigenlijke thema’s van het mens-zijn. Het kan dan ook niet lang op zich laten wachten of Oran zal wakker worden geschud uit zijn betekenisloze gedut.

DE PEST, DAT IS DE ONTKENNING

Wanneer de ratten bij duizenden vanuit het ondergrondse naar boven komen om in daglicht te sterven, doet het onheil zijn intrede in Oran. Wanneer er ook mensen builen en koorts rapporteren en hier aan dood gaan, is het voor dokter Bernard Rieux snel duidelijk: Oran lijdt aan de Pest. De beleidsmakers van de stad doen zijn advies om direct maatregelen te nemen echter van de hand. Dit zou immers maar onrust veroorzaken onder de bewoners en het bewijs van de Pest is niet geleverd. De mens waant zich liever in ontkenning dan de harde feiten onder ogen te zien:

“Als er een oorlog uitbreekt, zeggen de mensen:’Die zal niet lang duren, het is te dwaas.’ En stellig is een oorlog al te dwaas, maar dat verhindert niet dat hij wel blijft voortduren.” Het is voor de mens makkelijker om de rampen die hij tegenkomt te ontkennen dan deze te aanvaarden. In deze ontkenning die de stad in zijn greep heeft, moet dr. Rieux lijdzaam toezien hoe de pest zich gestaag uitwoekert over de stad.

DE PEST, DAT IS DE EENZAAMHEID

Nadat ook de autoriteiten er niet meer onder uit kunnen dat de Pest zijn intrede heeft gedaan in Oran, wordt de stad hermetisch afgesloten van de buitenwereld: niemand mag de stad meer in en niemand mag er meer uit. Geliefden waarvan één tijdelijk de stad uit was, kunnen niet meer bij elkaar komen en de stad is van elke hulp van de buitenwereld verstoten. Camus symboliseert hiermee de existentiële eenzaamheidservaring waarin de mens geworpen wordt wanneer hij zich in een crisis begeeft: ik kan mijn eigen opgetrokken muren niet beslechten en de ander kan omgekeerd mijn fort niet betreden. In deze isolatie is een vervreemding ten opzichte van de medemens inherent aanwezig. In hun angst voor de eigen dood, en rouw om het verlies, komen de stadsbewoners als gesepareerde eilanden naast elkaar te liggen. De structuren die ons leven doorgaans zo overzichtelijk houden, worden weggevaagd in een crisis. Een gemeenschappelijke taal  die ons normaal verbindt, lijkt plots niet meer voorhanden: 

“Als één van ons toevallig trachtte iemand in vertrouwen te nemen of iets te uiten van wat hij voelde, werd hij bijna gekwetst door het antwoord dat hij ontving, onverschillig hoe dat ook uitviel. Hij merkte dan, dat hij en die ander niet over hetzelfde spraken.”

DE PEST, DAT IS HET SYSTEEM

Naast de vervreemde relaties tot de medemens legt Camus de absurditeit van ons bureaucratisch systeem bloot. Camus schetst ambtenaren die ook tijdens de pestepidemie hun werk blijven doen zonder dat ze weten wat het inhoudt, ze volgen gewoon de procedure. En de stadsrechter, die de wet heeft ingevoerd dat familieleden van zieke individuen in aparte kampen moeten worden ondergebracht om verdere besmetting te voorkomen, moet zelf ook het kamp in nadat zijn zoon is omgekomen door de Pest. De stad heeft de rechter, juist tijdens deze crisis, hard nodig. Desondanks mag de rechter het kamp niet verlaten: de regels zijn heilig. Hij zit verstrikt in zijn eigen wetten. En wie helpt de rechter?

DE PEST, DAT IS DE DOOD

Wat opvalt is hoe de houding tegenover de dood zich in het verhaal ontwikkelt. In het eerste stadium van de pest richten mensen zich plots weer tot het geloof om hoop uit te putten, in een volgend stadium van de epidemie lijkt er onder de bewoners een drang naar afleiding door de focus te hebben op één taak of doel. En wanneer de Pest op zijn hevigst is, lijkt juist het gevecht tegen de ziekte steeds meer centraal te staan. Hierin schetst Camus een verbindende kracht tussen de verschillende individuen. Het gevecht tegen een gemeenschappelijke vijand overkomt de aanvankelijke isolatie. De groep van vrijwilligers die dr. Rieux om zich heen verzamelt wordt steeds groter. Samen trachten zij een front te zijn tegen de Pest. Deze samenhorigheid komt het sterkst tot uiting nadat dr. Rieux en zijn helpers toeschouwers zijn van het gevecht om leven en dood van een kind. In deze passage beschrijft Camus op een tergende wijze het lijden van het kind tot en met zijn laatste stuiptrekkingen. De omstanders zijn zo getroffen door zoveel onrechtvaardigheid waar zij zojuist toeschouwer van waren dat zij zich onderling meer verbroederd voelen om samen de strijd aan te blijven gaan. Niet de liefde, de angst, of geloofsovertuiging maar de strijd tegen onrechtvaardigheid bewerkstelligt dit.

DE PEST EN DE TERUGKEER NAAR DE SLEUR

Wat we ook aantreffen op het hoogtepunt van de pestepidemie, is een terugkeer van de sleur. Want het ten volle ervaren van een ramp is slechts in momenten mogelijk. Hoe heftig de ramp ook is, ook deze went. De sleur zien we volgens Camus dus gemanifesteerd in twee uiterste condities van het menszijn. Na het openbreken van de alledaagsheid door een crisis, stabiliseert de alledaagsheid zich in diezelfde crisis. De mens faalt er in een crisis ten volle te blijven ervaren. De mens faalt er uiteindelijk zelfs in ten volle te rouwen om hun geliefden:

“Uiteindelijk merkt men altijd weer dat niemand bij machte is aan iemand anders te denken, zelfs niet onder de grootste rampen. Want werkelijk aan iemand denken, iedere minuut aan hem denken, zonder zich door iets te laten afleiden, noch door huishoudelijke zorgen, noch door een vlieg of door maaltijden of door jeuk. Dat maakt het leven zo moeilijk.”

Deze cyclische beweging waarin de mens zich in de crisis weer terugvindt in zijn alledaagsheid, impliceert mijns inziens een tweetal zaken. Enerzijds lijkt het te betekenen dat de mens zichzelf in een ramp, ziekte, oorlog, verlies weet aan te passen en de staat van absolute crisis weet te verteren. Samengaand met deze positieve contonatie schuilt er echter ook iets engs in dit overlevingsmechanisme. De mens lijkt bij het voortduren van een crisis de daadwerkelijke betekenis van deze crisis uit het oog te verliezen: de terugkeer naar de sleur maakt ons blind voor die ramp die nog gaande is. De modus van de alledaagsheid kenmerkt zich immers niet door een kritische houding jegens het eigen bestaan. Op deze wijze beschouwd, stond de ingedutte stad Oran van het begin van het verhaal niet aan de vooravond van een crisis, maar begaf zij zich er wellicht al midden in: de moderne mens is de Pest.

DE PEST, DAT IS DE MENS

De Pest ligt besloten in ieder mens en heeft altijd de mogelijkheid aan de oppervlakte te komen. Dit maakt Camus helder in de overpeinzingen van dr. Rieux nadat de Pest de stad lijkt te hebben verlaten:

“Want hij wist, wat de menigte onbekend was en wat men kan leren uit boeken, dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht de dag zou komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een gelukkige stad.”

Maar hoe de Pest die in ons huist voor altijd te temperen?

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.