Vergeet-mij-niet-ongekunsteld

Strijd tegen de vergetelheid in oscarkandidaat Whiplash

“There are no two words in the English language more harmful than: good job” briest muziekleraar Fletcher in één van zijn monologen. Er zit geen enkele aarzeling in zijn woorden of gezichtsuitdrukking. Dit niet in de laatste plaats omdat de karakteristieke J.K. Simmons het personage vertolkt. Zijn aan idioterie grenzende stelligheid dient echter een doel. Het onthult een even prikkelende als controversiële filosofie: alles is geoorloofd als het om het ontwikkelen van uitzonderlijk talent gaat. In de film Whiplash volgen we die gedachte aan de hand van Andrew, Fletchers nieuwste leerling.

Sinds hij zich kan herinneren wil Andrew – met verve gespeeld door Miles Teller – een groots jazzdrummer worden. In de weergaloze openingsscène komen we als kijker door een lange gang op hem af terwijl hij drummend het tempo van de beat opvoert. Als hij in een climax uiteenbarst, stopt hij plots en staat de indrukwekkende verschijning van Fletcher voor hem. Een bizarre conversatie tussen de twee is het startschot voor Andrews opmars naar de wereldtop. Vanaf dat moment is toetreden tot Fletchers band voor hem het hoogst haalbare. Als hem dat uiteindelijk lukt – met een weergaloze scène waarin hij enthousiast debuteert en tien minuten later huilend en kwijlend over zijn drumstel hangt als gevolg – wordt de muziek de spil van zijn leven.

Talent maakt nog geen genie

In zijn werk Der enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften beschrijft de Duitse filosoof Hegel in een mooie passage het onderscheid tussen de getalenteerde en het genie. Uit talent komen bijzondere, nieuwe dingen voort, zo stelt hij. Volgens bepaalde, heersende regels doet het talent het uitermate goed. Maar deze nieuwigheden komen tot stand binnen een reeds bestaande discipline waarop het talent zelf geen invloed heeft. Het genie daarentegen maakt niet enkel iets nieuws van hoge kwaliteit, maar creëert een geheel nieuw discours. Hij herschept de regels, heeft het oude paradigma niet meer nodig en is zo uitzonderlijk dat hij nieuwe algemene kaders schept. Het talent maakt de mooiste typemachine; het genie vindt de computer uit die de typemachine overbodig maakt. Een fundamenteel verschil.

Ik heb het idee dat regisseur Chazelle in Whiplash – bewust, dan wel onbewust – van dit onderscheid gebruikmaakt. Andrew wil het genie zijn dat op onbereikbare hoogte staat. Niet slechts goed in wat hij doet, maar persoonlijk de jazz naar een hoger plan tillen. Fletcher ziet het, daarbij aansluitend, als zijn missie om dat ene paradigma scheppende genie uit de grote groep talenten te lichten. Dat dit een nogal onorthodoxe methodiek van lesgeven vraagt, spreekt volgens hem voor zich. Fletchers leerlingen krijgen klappen met de vlakke hand, worden de meest vreselijke ziektes toegewenst of kunnen een stoel naar hun hoofd verwachten als ze ook maar enigszins uit de maat spelen. Het zijn allemaal middelen die het doel heiligen, zo vindt de jazzmeester. Misschien dat daar met Hegels zojuist genoemde theoretische discrepantie in het achterhoofd wel wat voor te zeggen valt.

De beste is niet het beste

Maar het verhaal over Andrew raakt aan een dieper, misschien wel menselijker thema. Dat is het thema over de angst van de vergetelheid. Niemand wil vergeten worden, iedereen wenst op zijn eigen manier een stempel op de wereld te drukken. Dé vraag die Whiplash opwerpt is daarmee of niet vergeten worden het ultieme voor de mens is om te bereiken. En in het verlengde daarvan: of in de weg daar naartoe alles gerechtvaardigd is. Is de beste zijn ten koste van alles per definitie nastrevenswaardig? Is het hogere doel van de mens zoveel mogelijk mensen te inspireren en bereiken en die nieuwe algemeenheid te scheppen? Of valt de eeuwig op de loer liggende angst voor de eigen nietszeggendheid ook op een andere wijze het hoofd te bieden? Uiterst fundamentele vragen, die Chazelle in de wisselwerking tussen Teller en Simmons bloedstollend én goed kijkbaar voor het voetlicht brengt.

De kwestie of Mozart Mozart en Buddy Rich Buddy Rich zouden zijn geworden als zij niet van jongs af aan onder handen genomen werden om zich op muzikaal gebied te perfectioneren, lijkt me onmogelijk te bewijzen dan wel te weerleggen. Wellicht is het absolute noodzaak om mensen continu verder te pushen dan wat van hen verwacht wordt om tot de optimale prestaties te komen. Die mening is Fletcher in elk geval overduidelijk toegedaan. Maar het problematische aan zijn opvatting is dat in dat mensbeeld de geschiedenis slechts bestaat uit een handjevol hegeliaanse geniën. En deze grootheden hebben op hun beurt hun status hoe dan ook verworven ten koste van gezondheid, liefde, zorg of andere fundamentele zaken die we gewoonlijk ‘het leven’ noemen. Daarmee stuit zijn filosofie op een paradox. Als je alles verwaarloost om de beste te zijn, dan verwaarloos je eigenlijk waar je het beste in wil zijn. Het geniale is er ter verrijking van het leven, en het leven is er niet om koste wat kost geniaal in te zijn.

Een banaal antwoord

Jammer genoeg geeft de film over het geheel genomen geen aanleiding tot een dergelijke overpeinzing. Want wie het verhaal van Andrew tot het einde volgt – ik zal hier niet álle details uit de doeken doen – komt pijnlijk genoeg tot de conclusie dat Fletcher het bij het rechte eind heeft. Het genie gaat voor alles en de ontplooiing ervan vraagt een letterlijk onmenselijke behandeling van mensen. Deze slotsom maakt dat Whiplash een aantal uiterst relevante vragen oproept, maar deze zelf tegen het einde weer opzij schuift door er een banaal antwoord op te geven. De aanzet tot de thematiek is bewonderenswaardig, maar het slotstuk laat grotendeels de eigen zeggingskracht verstommen. De imponerende acteerprestaties van Teller en Simmons ten spijt.

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.