boekenkast-ongekunsteld

Uitlezen of toch maar stoppen?

Eigenlijk was ik altijd wel een uitlezer. Een boek waar ik eenmaal aan begonnen was, moest hoe dan ook uit. Gelukkig ben ik alweer een aantal jaar een deelslezer als daar goede redenen voor zijn.

Het kwam een beetje goed met mij toen ik een oudere vertaling las van Oorlog en Vrede van Leo Tolstoj. Deze vertaling was uiteraard dik en de letters waren klein. En toen begon het boek ook nog eens met een enorm aantal namen die, zoals dat gaat in Russische romans, in meerdere varianten voorkwamen. Dat was dus allemaal weinig stimulerend en vervolgens deed ik wat ik nog niet eerder had gedaan. Ik kapte ermee rond pagina vijftig. Overigens is het later helemaal goed gekomen tussen Oorlog en Vrede en mij dankzij een meer recente vertaling door Peter Zeeman en Dieuwke Papma.

Misschien ben ik de enige die van een doorlezer, een deelslezer moest worden en komt iedereen als deelslezer ter wereld. Beperkt sociologisch veldonderzoek zou misschien op z’n plaats zijn. De voordelen zijn natuurlijk duidelijk. Je spaart tijd  – niet onbelangrijk voor een traaglezer als ik  – en kunt toch een indruk krijgen van een boek. Bij mijn eerste Oorlog en Vrede-poging lukte mij dit nog niet, maar oefening baart kunst.

Er is nog een andere manier van deelslezen. Dat is de toepassing wanneer je een boek hebt doorworsteld, mooi hebt gevonden, maar toch niet helemaal hebt begrepen, Dat overkomt mij nog wel eens. In het geval van De man zonder eigenschappen van Robert Musil zal ik hierin niet de enige zijn geweest. Dit is opnieuw een heel dik boek, en dat terwijl het onvoltooid is gebleven. Ideaal om na zo’n eerste lezing het boek gewoon weer op te pakken, een stuk te lezen en het weer weg te leggen. Natuurlijk begrijp je dan opnieuw niet alles, maar je zit weer even in die bijzondere sfeer van teloorgang, in dat Wenen van de Dubbelmonarchie die op instorten stond. Ik ga dat zonderlinge boek waarschijnlijk nooit meer helemaal uitlezen, maar blijf het lekker deelslezen. Uiteraard is deze variant ook zeer bruikbaar als je het boek wél helemaal begreep maar je het gewoon heel mooi vond.

Dit was dan een wat uit de hand gelopen inleiding om iets te zeggen over Stemmen in het Duister (1956, vertaling uit 2006) van Julian Strykowski. Dit boek heb ik tot pagina 201 gelezen en nu geef ik het op, ik capituleer. Ik was gewaarschuwd. Op de achterflap staat geschreven: ‘Stemmen in het duister vormt voor velen een soort Bijbel van het joodse leven in Polen.’ Waarom wordt het zo geformuleerd? In dit boek is inderdaad het armoedige joodse leven, zoals dat zich in de eerste helft van de 20e eeuw in Galicië afspeelde, tot leven gebracht. We volgen als lezer een jongetje wiens vader nauwelijks kan rondkomen van een paar Talmoedlessen. De joodse gebruiken zijn voor velen beknellend en zo is er een conflict tussen traditie en moderniteit, tussen een bijna kiezen voor uitzichtloze armoede en een menswaardig bestaan. Dat is mooi, maar naar mijn smaak in de New Yorkse boeken van Chaim Potok toch veel boeiender naar voren gebracht.

Het boek geeft inderdaad een documentaire-achtige kijk op het joodse leven in een klein Oost-Europees stadje. De gebruiken komen aan de orde, de feesten en al het eigenaardige wat de joodse orthodoxie met zich meebracht. ‘Dit is de wereld waar Joseph Roth vandaan kwam’, zei ik nog enthousiast tegen mezelf om de moed erin te houden. Ik ben gestopt omdat het boek overladen is met personen en de roman niet van de grond lijkt te komen. Het blijft hangen in gebeurtenissen die bijdragen aan het op zich interessante documentaire-karakter van het boek maar het boek als roman geen goed doen.

Het zal duidelijk zijn; ik ben heel content met mijn kloeke daad van deelslezen. Deelslezers aller landen verenigt u!

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.