modiano-cafe-vader-ongekunsteld

Zwerven door het Parijs van Modiano

Landelijke kranten moeten iets met literatuur, vinden ze. Of hebben ze een manier ontdekt om af en toe wat bij te beunen? Hoe dan ook, in 2013 lanceerde dagblad Trouw, zoals dat eerder door andere kranten was gedaan, een literaire serie: Europese literatuur. Het eerste deel werd als lokkertje over het land verspreid: In het café van de verloren jeugd, geschreven door Patrick Modiano. Wie dit werkje van Modiano, die inmiddels de Nobelprijs heeft gekregen, voor weinig geld wil verwerven, loopt een kringloopwinkel binnen en maakt grote kans op een treffer.

Vier vertellers

Dit is een korte roman met vier ik-personen die na elkaar aan bod komen; allemaal mensen die in het Parijse café de Condé zijn geweest. De roman begint in de gedachten van een geregelde bezoeker, een jonge student aan de hogeschool voor de mijnbouw.  Hij leert de geheimzinnige Louki, hoofdpersoon van de roman, niet echt kennen, maar houdt haar wel in de gaten.

‘De eerste keren praatte ze met niemand, maar na een tijdje had ze kennisgemaakt met de stamgasten van de Condé, van wie de meesten van onze leeftijd waren, ik schat zo tussen de negentien en de vijfentwintig. Soms kwam ze aan een van hun tafeltjes zitten, maar meestal bleef ze trouw aan haar plekje op de achtergrond.’

Vervolgens maken we kennis met Caisley, een soort detective, die bij de echtgenoot van Louki op bezoek was en daar de opdracht kreeg om haar op te sporen. Louki blijkt Jacqueline Delanque te heten. De speurder komt er via via achter waar ze is, maar is niet van plan dat aan haar man te vertellen. Hij heeft, lijkt het, wat begrip opgedaan voor Louki, mede op basis van zijn bezoek aan de echtgenoot, die we zonderling zouden kunnen noemen.

‘Jacqueline kon op me rekenen. Ik zou haar de tijd geven om zich voorgoed uit de voeten te maken. Op datzelfde moment liep zij ook ergens in de stad. Of anders zat ze aan een tafeltje in de Condé. Maar ze had niets te vrezen. Ik paste.’

De derde ik-persoon is Louki zelf. We komen meer over haar jeugd en enkele duistere ontmoetingen te weten en zwerven met haar mee door de straten van Parijs. ‘Ik dacht terug aan mijn nachtelijke wandelingen. Montmartre, dat was voor mij Tibet. Ik had genoeg aan de glooiing van de rue Caulaincourt.’

En dan gaat het verhaal verder vanuit de ogen van Roland, die net als Louki naar een soort esoterische avonden gaat; ze leren elkaar daar kennen en krijgen een relatie, die heel terloops wordt beschreven. Twee jonge mensen zonder duidelijke professie, zonder omschreven doel zwervend door de arrondissementen van Parijs.

Parijse treurnis

‘Ze leek even te schrikken, toen glimlachte ze. Zacharias stond op en sprak met gespeelde zalving: “Vanavond doop ik je. Voortaan zul je Louki heten.” En toen iedereen haar in de loop van de avond Louki was gaan noemen, leek het wel of ze zich opgelucht voelde over die nieuwe naam. Ja, opgelucht… ze verschool zich in de Condé alsof ze ergens voor op de vlucht was, ergens aan wilde ontsnappen.’

Verderop in het verhaal blijkt dat Louki’s moeder, die in de Moulin Rouge werkte, al vier jaar dood is en dat Louki jong getrouwd is met een vijftien jaar oudere man. Ze verlaat hem door in eerste instantie een aantal keer laat thuis te komen en dan helemaal niet meer. ‘En toen, op een keer, is ze ’s nachts toch in de rue d’Argentine gebleven’, bij Roland. En dan komt ze met enige regelmaat in de Condé, een café ‘in de buurt van het carrefour de l’Odeon’.

Dit is een wat dromerig, weemoedig boek; het is ook treurig. De dromerige weemoedigheid blijkt uit de taal en de herinneringen; het verhaal bestaat louter uit herinneringen. Steeds treffen we mannen die ooit iets met die mysterieuze Louki te maken hebben gehad. Niet dat ze allemaal verliefd op haar waren. Nee, ze zijn getroffen door deze verstilde jonge vrouw die weinig zegt en over wie ze haast niets weten. De treurigheid blijkt uit het lot van veel personen die het boek bevolken, in het bijzonder dat van Louki.

‘Toen pakte hij zijn glas en dronk het in één teug leeg. Hij stond op en liep naar me toe. Met toonloze stem zei hij: ‘Louki. Ze is uit het raam gesprongen.”‘

De inhoud van het boek is als gezegd treurig, de stijl onderstreept de droefenis. Kwinkslagen zijn niet aan de orde en hadden in deze roman ook niet gepast.

Neutrale zones

‘Je had in Parijs bepaalde overgangszones, stroken niemandsland waar je altijd op doorreis was, aan de rand van de wereld of zelfs daarbuiten. Je genoot er een soort onschendbaarheid.’

Roland was gefascineerd door deze neutrale zones. Hij probeerde erover te schrijven. Gaandeweg blijken de hoofdpersonen van deze roman bij uitstek mensen te zijn die passen bij deze onbestemde delen van de stad. Het begrip krijgt in de roman steeds meer gewicht en ik denk dat de roman heel goed Neutrale zones had kunnen heten. Is het café ook eigenlijk niet zo’n neutrale zone? ‘Maar tegen het vallen van de avond werd het de ontmoetingsplaats voor wat een sentimentele filosoof “de verloren jeugd” had kunnen noemen.’

Parijs

Dit is hét Parijsboek voor de weemoedige, naar melancholie neigende medemens, want echt vrolijk word je er niet van. Het boek staat zó vol met straatnamen, boulevards, arrondissementen en pleinen dat ik mijn Taride heb opgeduikeld om de tochten te kunnen volgen. Taride? Het woord komt twee keer voor in het verhaal. Ik kende ‘editions taride’ als de uitgeverij van die handige kaartenboekjes en plattegronden van Parijs. Ineens duikt in de roman de term ook als eigennaam op; het gaat om iemand die vermist was. Iemand die vernoemd lijkt te zijn naar het boekje waarin je al die straten van Parijs vindt, is verdwenen – ergens in de straten van Parijs. Waarschijnlijk in zo’n neutrale zone, denk ik dan, maar daar is geen grond voor.

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.